Een arrogante rotmeid
Apr 1st, 2008 by Erik
Ik zal hooguit drie geweest zijn, toen mijn oudere broer op een dag thuiskwam van de kleuterschool en ernstig verkondigde: “God ziet Alles”. Dat had zijn juffrouw hem verteld, en de juffrouw gold in die dagen als hoogste autoriteit op wetenschappelijk gebied. Kennelijk stond de boodschap me toch niet aan, want ik kroop fluks onder de tafel en kraaide: “Maar nu ziet-ie me lekker niet.” Ik gaf dus al jong blijk van een lelijk karakter.
Ik vermoed dat ik al had leren berusten tegen de tijd dat ik zelf naar school ging. Ik slikte de bijbelverhalen zoals ik Assepoester slikte. Een normaal kind neemt gewoonlijk wel het een en ander aan van volwassenen, en uiteindelijk bleek ik nogal braaf. Alleen dat bidden. “Ogen dicht” was een van de zeer weinige godsdienstige voorschriften waaraan wij ons te houden hadden, maar ondertussen was het voorgeschotelde gebed zelden interessant. Stiekem tóch kijken ook niet, maar dat had dan nog de zoete smaak van het verbodene.
Thuis bleef bidden beperkt tot “herezegenditetenamen” voordat we ons met lange tanden, onder pedagogische dwang, aan de andijvie waagden. Ons gezin behoorde tot de Nederlands Hervormde Kerk. Af en toe, meestal op een bijzonder druilerige zondagochtend, gingen we er zelfs heen. Verveling, en bedwongen verachting bij de kindernevendienst waar we met inferieur materiaal bijbelverhalen knippend en plakkend “mochten” uitbeelden. Mijn ouders waren overigens nogal liberaal, en ik mocht gerust eens met katholieke vriendinnetjes mee naar hún kerk. Dat ze daar de gelovigen van voedsel voorzagen vond ik een verworvenheid. Ik heb dus in elk geval een of twee keer in mijn leven met plezier een hostie tot mij genomen.
Ondertussen begon ik, bij korte vlagen, een beetje na te denken. Ik wist op mijn achtste nog niet wat een maagd was en zag geen probleem in de onbevlekte ontvangenis, maar dat kruisigingsverhaal zat me toch niet helemaal lekker. Was Jezus eigenlijk geofferd als vereffening van reeds begane zonden, in welk geval wij-van-nu er geen baat bij hadden, of als vooruitbetaling voor toekomstige zonden, zodat ik, wat ik ook mocht uithalen, per definitie al was vrijgepleit? En waarom moest hij überhaupt worden geofferd? Had God dat niet anders kunnen regelen? Ik werd er altijd een beetje duizelig van. Een duidelijk antwoord op dit soort vragen kreeg ik nooit op de protestants-christelijke basisschool. Mijn vertrouwen in de alwetendheid van volwassenen, vooral van onderwijzend personeel, raakte langzaam maar zeker ernstig ondermijnd.
Onze kerk kreeg een nieuwe dominee, de harige, vurige dominee K. Waar zijn voorganger een zachtmoedig man was die de diensten vooral gezellig maakte, dominee K. bleek uit geheel ander hout gesneden. Tropisch hardhout. Hij stak op de preekstoel zijn baard vooruit en prentte de leden der gemeente hun morele tekortkomingen stevig in. Mijn ouders bleven steeds vaker met ons op zondagochtend lekker thuis. Toch werd het als vanzelfsprekend aangenomen dat ik ter catechisatie zou gaan, want ik had er de leeftijd voor. Ik was net veertien, sinds twee jaar op het gymnasium, in feite ongelovig en tamelijk welbespraakt. De stellige beweringen van de dominee bleken niet moeilijk onderuit te halen. Zijn baard begon een heel eigen leven te leiden en aan het eind van onze laatste discussie siste hij zijns ondanks: “Jij arrogante rotmeid!” waarop ik de slappe lach kreeg en besloot dat het voor beide partijen beter was deze bijeenkomsten te staken. Als consequentie verklaarde ik thuis nog dezelfde avond dat ik niet geloofde en niet van plan was nog naar de kerk te gaan. “Zo,” sprak mijn vader en mijn moeder zei: “Goed hoor, kind.”
Mijn vader hechtte desondanks aan traditie. Op mijn achttiende alweer wat milder geworden, ben ik uit dochterliefde nog eens meegegaan naar de kerstdienst. Wederom dominee K., die het feest van het licht aangreep om ons met onze diepe zondigheid te confronteren. Halverwege de preek stond mijn vader op en marcheerde de kerk uit, prompt opgelucht gevolgd door de overige gezinsleden. De kerk verdween hiermee definitief uit ons leven, en er is nooit meer over gesproken.
Ingezonden door Maria.
Trots op je, Maria — wil je mijn hartelijke groeten doen aan je Pa?
hahaha doet mij een beetje denken aan die juffrouw die mij op de basisschool vroeg wat ik van de bijbelverhalen vond; “gaaf! juffrouw”
maar geloof je dan ook dat ze werkelijk gebeurd zijn? “Nee juffrouw, dat is met donald duck toch ook niet zo”
mens kreeg bijkans een hartverzakking
God speelde geen rol in mijn jeugd. Goddank. Mijn vader las voor uit de kinderbijbel, omdat dit ‘mooie verhalen waren’ maar met de boodschap het ook echt als verhalen te beschouwen. Een keer per jaar ging ik naar de kerk, als mijn vader met het Byzantijns Mannenkoor moest optreden op kerstavond. Het waren de meest onplezierige avonden van het jaar, waar ik letterlijk altijd buikpijn kreeg. De kou, de kilheid die de dienste afstraalden. Ze hadden een unheimlich effect op mij, dat zich altijd vertaalde in fisieke buikpijn.
Mijn opa en oma waren streng gelovig. We reden ze wekelijks naar de veluwe waar ze een dienst bijwoonden. Wij grepen de kans voor een mooie boswandeling. Als mijn opa en oma voor het eten het gebed deden, deden mijn broer en ik altijd ridiculiserend mee.
Ik kan me niet herinneren dat ik ooit heb geloofd in god, of iets dat er ook maar bij in de buurt kwam. Ik heb er geloof ik geen aanleg voor. Toen ik in december zes was, heb ik een hele nacht voor het raam gestaan om te kijken of sinterklaas echt over de daken ging. Toen ik de volgende ochtend toch snoep in mijn schoen vond was ook dat over. Hoe kon de pestkop van de klas toch de grootste ga-doodjes mocht verwelkomen van Sinterklaas. Was de beste man blind? Het waren vragen die me toen al bezighielden.
Toen ik acht was, wist ik alles van dino’s, zoals elk gezond jongetje van acht zich voor dat soort dingen zou moeten interesseren. In groep 7 hield ik een spreekbeurt over de oerknal. Weer eens wat anders dan de cavia.
Mijn opa en oma waren verschrikkelijk bang voor de dood. Ondanks dat ze zeiden te geloven in het eeuwige leven. Ik geloof daar geen barst van. In dat zij dat ook daadwerkelijk geloofden. Ze hoopten het, en daarmee was de kous af.
Hahaha je verhaal klinkt zo bekend. Mijn moeder heeft mij verteld dat het allereerste boek waar ik de plaatjes van kon zien, een natuurencyclopedie was. Toen ik wat ouder was kon ik haar uitleggen hoe een plantencel werkte, met mitochondrieën en al (ik heb zelf geen idee, ik kan het mij niet herinneren). Op de basisschool was ik gefascineerd door het menselijk lichaam (daar ben ik mee doorgegaan), planeten, drugs en dinosauriërs. Ik was ook geabboneerd op zo’n blad waarbij je elke maand een deel van een T-rex skelet kreeg, dat licht gaf in het donker, iemand daar nog bekend mee?
Ja, zo zie je maar hoe het geloof onzer voorvaderen voor veel Nederlanders in twee generaties een zachte dood is gestorven. Met dank aan de wetenschap.
Ik kreeg op jonge leeftijd een abonnement op de Kijk thuis. Ik was vooral gefacineerd door de verhalen van Carl Coppenschaar (of zoiets). Hij schreef altijd over het heelal. Ik weet nog wel dat ik tijdens het spreekbeurt woorden gebruikte als ‘quantumfluctuatie’ enzo. Dat blad met die dinobotten ken ik wel, maar ik hield me liever bezig met technisch lego en het tekenen en ontwikkelen van geavanceerd martelwerktuig, waar het zusje van mijn vriendje er aan de linker bovenkant van het a4′tje heel inging, en aan de rechteronderzijde van het A4′tje. Mijn anatomische kennis verwerkte ik vooral in die tekeningen. Hoe ziet zo’n geamputeerde arm er eigenlijk uit?
Zin vergeten af te maken:
…en aan de rechteronderzijde van het A4?tje er als een warme emulsie uitkwam.
Hahaha. Arrogant hoor, rotmeid! [|:o)
Ik was als jong jochie ook een denkertje, en een lezertje. Ik ben wijs geworden door op achtjarige leeftijd boeken te lezen als “Van 1 × 1 tot integraal” en “Van punt tot vierde dimensie” van Egmont Colerus. Ik verslond “De jongens van de hobbyclub” — http://nl.wikipedia.org/wiki/Leonard_de_Vries
Mijn vader was bevriend met De Vries, en ik ben de trotse bezitter van het boek “Het Electron” — met een persoonlijke opdracht aan mij: “… wellicht de atoomingenieur van de toekomst”. HA!
Doet me inderdaad ook denken aan verhalen uit de oude doos. Mijn opa die geregeld gezegd zou hebben; “En nu bidden, godverdomme!” als m’n vader en z’n broers weer aan ‘t klooien waren voor ‘t eten (tijdens ‘t bijbellezen dat is). Zelf las ik op m’n 10e ook de jeugdbijbel voor de spannende verhalen (net als de Arendsoog en Kameleon boeken) om vervolgens in één ruk door Erich von Däniken en In de ban van de Ring te verslinden.