95 Antwoorden – Deel IV
Nov 2nd, 2009 by Erik
Stelling 14
In veel schoolboeken worden getalsmatige veranderingen in de populaties van de peper- en zoutvlinder als voorbeeld voor evolutie beschreven. Hierbij kan niet eens van micro-evolutie gesproken worden.
Het valt me op dat creationisten klaarblijkelijk niet eens een duidelijke definitie hanteren als het om hun gevierde micro- en macro-evolutie gaat. Want hoe kun je het anders dan (micro)evolutie noemen wanneer er significante getalsmatige veranderingen plaatsvinden in een populatie organismen? Hoe dan ook, het punt dat we dienen te begrijpen is dat het voorbeeld van de berkenspanner niet dient als voorbeeld voor evolutie in brede zin, maar als voorbeeld van één van haar voornaamste mechanismen: Natuurlijke selectie.
En natuurlijke selectie heeft dit voorbeeld van de berkenspanner niet nodig om bewezen geacht te worden, zoals creationisten zelf beamen door acceptatie van hun ietwat geforceerde onderscheid tussen micro- en macro-evolutie! Zoals zo vaak kunnen we hier dus afsluiten met de conclusie dat hier sprake is van een tegenspraak. Bestaat micro-evolutie, dan is dit voorbeeld wel degelijk een illustratie van natuurlijke selectie (en derhalve evolutie). Bestaat micro-evolutie niet, dan hebben de creationisten veel meer uit te leggen dan ze met dit voorbeeld veronderstellen te doen.
For the record: Er is geen onenigheid over de betekenis van het voorbeeld van de berkenspanner, behalve bij…. creationsten.
Stelling 15
Alle DDT-resistente insecten zijn genetische varianten, die altijd al hebben bestaan en die altijd al tegen dit insecticide bestand waren.
Dat u dat even weet, zou ik bijna zeggen. Maar goed, ter zake. In de begeleidende uitleg valt de volgende hilarische verduidelijking te lezen:
Alle resistente insecten van de huidige tijd zijn nakomelingen van deze zeldzame varianten. Het is eenvoudig zo, dat de niet resistente soorten grotendeels zijn uitgestorven, terwijl de resistente zich verder konden vermenigvuldigen.
Laat het even goed op u inwerken, want wat u hier leest is exact de definitie van natuurlijke selectie. Eén van de mechanismen die beschreven wordt in de evolutietheorie en verantwoordelijk is voor het fenomeen evolutie. Of de resistente insecten nu wel of niet al resistent waren voordat de mens DDT uitgevonden had is niet eens van belang meer, met dank aan de creationisten en het beseft dat de natuur geen plan heeft. Het is dus prima acceptabel dat er inderdaad insecten waren die al resistent waren tegen DDT voordat de mens het uitgevonden had. Wat telt is dat het toepassen van DDT op grote groepen tot gevolg had dat de resistente organismen zich wel konden voortplanten en de niet-resistente organismen niet. Wederom een klassiek voorbeeld voor natuurlijke selectie waarbij we voor de volledigheid opmerken dat deze vorm van selectie tot stand gekomen is door tussenkomst van de mens. Dat maakt het echter geenszins iets anders dan natuurlijke selectie: Voor een malariamug is een gif-spuitende homo sapiens niet meer of minder dan een leeuw voor een springbokje.
Stelling 16
Het feit, dat bacteriën tegen antibiotica resistent kunnen worden, is geen voorbeeld voor ontwikkeling naar boven, omdat de mutaties, die daartoe leiden, in de regel een verlies van informatie in het genoom tot gevolg hebben.
Plaatsvervangende schaamte. Het begint zich meester van mij te maken, telkens wanneer ik een stelling tegenkom waarin ik weer moet uitleggen wat ik al een aantal keer heb moeten uitleggen.
Ten eerste: Evolutie veronderstelt geen ‘ontwikkeling naar boven’. Organismen worden niet ‘beter’ in de strikte zin van het woord. Een organisme ‘wordt geboren’ en is simpelweg bij gratie van zijn genotype ofwel in staat te overleven, of niet. De organismen die overleven kunnen, hebben vervolgens de kans zich voort te planten. De organismen die sterven niet. Je zou dus hooguit kunnen stellen dat een organisme beter aangepast is aan zijn leefomgeving dan zijn voorouders of zelfs dan andere organismen. Dat maakt het organisme niet ‘beter’ en dat maakt evolutie zeker geen proces waarin altijd sprake is van ‘een ontwikkeling naar boven’.
Zijdelings wil ik u ook hier onder de aandacht brengen hoezeer de creationist met dubbele tong spreekt wanneer hij de ene keer benadrukt dat ‘het verliezen van een oog’ geen evolutie is omdat ‘het diertje er niet beter van wordt’, terwijl men zonder problemen (en volkomen onterecht) veronderstelt dat evolutie een organisme ‘beter’ maakt. Aan de ene kant beargumenteert men dus dat een verlies van een functie bewijst dat evolutie onjuist is, en tegelijkertijd hamert men erop dat evolutie dieren beter zou moeten maken. Niet alleen is dit een hopeloos verkeerde voorstelling van zaken, maar ik hoop dat u samen met mij het begin van de zoveelste cirkelredenering ontwaart.
Maar, we zijn er nog niet. Deze stelling introduceert namelijk een nieuw gegeven waar we creationisten aan kunnen herkennen, namelijk de stelling dat er louter ‘een verlies van informatie in het genoom’ plaatsvindt. De begeleidende tekst bij deze stelling is overigens even afwezig als dat zij Duits is, maar dit terzijde. Voorstanders van het bezigen van de termen ‘verlies aan informatie’ en ‘degeneratie’ geven doorgaans, zoals we gewend zijn, geen enkele definitie van gehanteerde termen. Wanneer is er sprake van verlies aan informatie? Wat is informatie wanneer we spreken over het genoom van een organisme?
Ieder die, net zoals ik, hier en daar wat bezig is met het programmeren van computersoftware weet dat de definitie van informatie niet ligt in de informatie zelf, maar het medium dat de informatie uitleest. Wanneer ik een string definieer, betekent dit dat de computer moet weten dat het mijn bedoeling was het geheugenadres uit te lezen als ware het een string. Dat wil niet zeggen dat het onmogelijk is om het geheugenadres uit te lezen als integer of float, het zal alleen niet de waarde opleveren die ik bedoelde te bewaren op het bewuste adres.
Met andere woorden: Informatie verdwijnt niet. Informatie wordt ‘gelezen’. En wanneer er iets verandert aan de methode volgens welke de informatie gelezen wordt, verandert ook de interpretatie ervan. Dit verklaart zijdelings ook de claim dat ‘er nooit nieuwe informatie bijkomt’. Een verdubbeling van een gen is in deze hoedanigheid geen toename van informatie voor de creationist. Wat hij echter vergeet is dat de locatie van de verdubbelde informatie niet dezelfde is als het origineel en dat het leesmechanisme dus geen benul heeft dat het hier een kopie betreft. Kopieën en verlies van informatie bestaan in deze hoedanigheid dus niet als het gaat om het ‘lezen van genen’.
Er kan dus geen sprake zijn van ‘een verlies van informatie’ en dat (maar niet alleen) maakt deze stelling al bij voorbaat nonsense.
Stelling 17
Het hiaat (stilstand) in het fossielenverslag toont aan, dat geen nieuwe vormen en organen ontstaan en dat de basissoorten in wezen gedurende de gehele geschiedenis van de aarde onveranderd zijn gebleven.
Omdat creationisten de tegenspraak hebben verheven tot zinnig argument, lijkt het me aardig deze stelling te behandelen onder stelling 18. Dat scheelt mij weer een lang antwoord.
Stelling 18
Opdat een levend wezen een fossiel kan worden, moet het snel met sedimenten overdekt en van de lucht afgesloten worden, omdat het anders bederft of verrot.
Voor wie het niet ziet:
A) De kans dat een fossiel ontstaat is zeer klein. De omstandigheden moeten precies goed zijn en omstandigheden zullen per locatie zeer sterk variëren en zelfs langdurig ongunstig kunnen zijn. (stelling 18).
B) Het feit dat er (klaarblijkelijk) een hiaat is, toont onherroepelijk aan dat soorten niet evolueren.
Een cursus logica zou wellicht beter zijn dan een cursus evolutie.
Stelling 19
De overgangen (missing links) van vissen naar amfibieën, van amfibieën naar reptielen en van reptielen naar vogels en zoogdieren zijn ook na 150 jaar fossielenonderzoek niet gevonden.
Nog los van de logische val naar aanleiding stelling 17 en stelling 18 zou ik graag willen stellen dat deze stelling complete nonsense is. Er zijn wel zogenaamde missing links gevonden, maar wil ik tevens benadrukken hoe bijzonder het wel niet is dat gezien het delicate proces van fossiliseren dit daadwerkelijk het geval is.
Een belangrijk punt om te maken is echter dat er feitelijk geen sprake kan zijn van het fenomeen ‘Missing Link’. Zoals ik eerder heb geprobeerd uit te leggen is ieder organisme een ‘missing link’. Evolutie is, nogmaals, niet meer dan het verschil in het genotype tussen een organisme en zijn voorouder, tot stand gebracht door de wisselwerking tussen de leefomgeving van dat organisme. Dat verschil nam gedurende de miljoenen jaren die evolutie tot haar beschikking had zulke grote vormen aan dat de jongste nakomeling dusdanig veel veranderingen bezit ten opzichte van de oudste voorouder dat er geen sprake meer kan zijn van dezelfde soort.
Hetgeen de creationist hier klaarblijkelijk veronderstelt is dat er ‘van aap naar mens’ sprake moet zijn van een half-aap, half-mens. Los van het feit dat een dergelijk fossiel ofwel een aap ofwel een mens genoemd zou worden, gaat men hier abusievelijk uit van het feit dat ieder fossiel dat niet exact half-aap of half-mens is geen ‘Missing Link’ zou zijn. Evolutie vindt plaats op een glijdende schaal. Ieder individu dat geboren wordt, behoort tot dezelfde soort als zijn voorouders. Er is geen duidelijk moment waarop een individu plotseling half-aap en half-mens werd, net zoals er bijvoorbeeld geen moment is waarop we spreken van kinderen die volwassen geworden zijn. Ieder mens begrijpt dat ‘het volwassen worden’ niet plaatsvindt op de 18e verjaardag, maar een aaneenschakeling is van bijna onzichtbare processen die louter en alleen cumulatief beschouwd tot een significante verandering leiden. In deze hoedanigheid is hopelijk goed te begrijpen dat zodra wetenschappers een ‘Missing Link’ claimen ontdekt te hebben, de creationisten direct er bovenop springen om te stellen dat er nu twee gaten ontstaan zijn die beiden een nieuwe ‘Missing Link’ nodig hebben. Ad infinitum.
Stelling 20
De zogenaamde cambrische explosie (het gelijktijdig optreden van de meeste soorten) weerspreekt de theorie, dat de levende wezens gemeenschappelijke voorouders hebben.
Nee. Om de simpele reden dat niet alle soorten uitgestorven zijn voor de Cambrische explosie. Het DNA van de dieren die niet uitstierven propageerde zich in de explosie van diersoorten die men daarna (gefossiliseerd) waarnam.
De creationisten veronderstellen hier waarschijnlijk dat AL het leven tot haar einde kwam en dat uit het niets een explosie van nieuw leven tot stand gekomen is. Dit is niet alleen onjuist, maar gesteld dat dit het geval zou zijn geweest, dan nog zou leven opnieuw ontstaan kunnen zijn en zou evolutie onherroepelijk plaatsgevonden hebben. Ze verschuiven hun scheppingsgeneuzel dus van het absolute ontstaan van het leven tot de periode van de Cambrische explosie. Zonder nieuwe argumenten of weerleggingen te introduceren.
Hey Erik, je bent goed op dreef met de 95 antwoorden. Ik heb helaas wat achterstand opgelopen bij het lezen van je stukjes, maar ik moest bij je behandeling van stelling 16 toch even wat kanttekeningen plaatsen. Je lijkt namelijk “informatie” te verwarren met “betekenis”. Best kans dat jij het verschil best begrijpt, maar het staat er volgens mij nu ietwat ongelukkig. Omdat creationisten deze twee begrippen ook steeds verwarren (misschien zelfs opzettelijk) wilde ik er toch even wat aan toevoegen.
De hoeveelheid informatie van een geheugenregister verandert niet als je het uitleest als integer of als string, maar de betekenis verandert wel. Het medium en de representatie van de informatie zou ook niets uit mogen maken voor de hoeveelheid informatie. De putjes op een CD bevatten dezelfde hoeveelheid informatie als wanneer ik die informatie omzet in magnetische gebiedjes op de harde schijf in een computer – of zelfs wanneer ik ze opschrijf in morse-code op papier. Hoogstens kun je spreken over een verschil in efficiëntie wat betreft de opslag van dezelfde informatie.
De meestgebruikte definities van “informatie” die gebruikt worden in de informatietheorie zijn die van Shannon of die van Kolmogorov. Informeel wordt bij de laatste de hoeveelheid informatie gedefinieerd als de maat van de kortste beschrijving die dezelfde informatie kan opleveren. Een compleet willekeurige serie letters heeft de hoogst mogelijke informatie, want de enige manier om die serie te omschrijven is door alle letters één voor één uit te schrijven. “aaaaaaaaaa” heeft daarentegen maar heel weinig informatie, want die kun je heel compact omschrijven als “10 keer a”. Eén enkele mutatie zou dan bijvoorbeeld “aaaabaaaaa” op kunnen leveren, wat heel wat meer informatie bevat: “4 keer a; b; 5 keer a”, of misschien “10 keer a, behalve een b op de 5e positie”. Dus mutaties kunnen wel degelijk de hoeveelheid informatie verhogen. Of verlagen, natuurlijk.
Verdubbeling van een willekeurige reeks X levert ook altijd meer informatie op. De omschrijving “2 keer X” is immers altijd langer dan alleen “X”. Als de kopie niet perfect is, dan wordt de hoeveelheid informatie zelfs nog groter: “2 keer X, behalve deze verschillen”.
Shannon informatie is net iets anders omschreven: daar wordt de informatie-inhoud gerelateerd aan de onvoorspelbaarheid van de tekens. Alweer heeft een compleet willekeurige serie tekens de hoogste informatie-inhoud, want je kunt totaal niet voorspellen wat het volgende teken gaat worden. Dit terwijl “aaaaaaaaaa” juist weer heel voorspelbaar is.
Deze uitleg is misschien wat technisch, en het wordt nog veel technischer als je bedenkt dat creationisten (vooral die van het ID-type) zelf allerlei vage definities voor “informatie” zijn gaan bedenken, net zoals het hun uitkomt. Dus heb ik nog een simpelere manier om mensen nog eens extra te laten nadenken of mutaties echt vooral tot verlaging van de informatie leiden:
als een mutatie van bijvoorbeeld een A naar een T op een bepaalde positie tot verlies van informatie leidt (volgens jouw eigen favoriete definitie van “informatie”), is dan de omgekeerde mutatie van een T naar een A niet een toename van informatie? En als bijna alle mutaties tot verlies van informatie leiden, kom je dan niet uiteindelijk op een punt uit waarin de hoeveelheid informatie zo laag is dat juist de meeste mutaties tot een toename van informatie gaan leiden?
Ik denk dat dit nog wel eens onderwerp gaat worden van een artikel op mijn blog – als ik klaar ben met de andere artikelen die ik al van plan was.