Atheïsme verantwoordelijk voor bankhangers
Nov 6th, 2009 by Erik
Het (christelijk betrokken) Nederlands Dagblad publiceert vandaag een schrijfsel over het in september verschenen boekwerkje ‘waarom ik geen christen ben‘, met daarin het gelijknamige essay van Bertrand Russell. Maar in plaats van een feitelijke en inhoudelijke bespreking te houden, kan zij het natuurlijk niet laten om de onderliggende argumenten te verdraaien en op de hak te nemen.
En ik kan het ze eigenlijk niet kwalijk nemen; het is de enige manier om nog enigszins commentaar te kunnen leveren op het meesterwerk van Russell. Toch moet ook gezegd dat enige zelfkennis de schrijver (Dick Schinkelshoek) niet valt te ontzeggen. Ondanks zijn voorliefde voor de rariteiten van het christendom maakt hij enkele juiste observaties. Zo stelt hij terecht dat de massa niet snel overtuigd zal worden door argumenten, laat staan deze argumenten.
Toch zal de grote meerderheid van de lezers door een opeenstapeling van argumenten niet worden geraakt. Zo zit geloven (en niet-geloven) namelijk niet in elkaar.
Jammer is wel dat hij de eeuwige fout maakt geloof en niet geloof op dezelfde hoop te gooien. Geloof, en daar heeft hij een zeer valide punt, is bij uitstek een constructie die niet gestoeld is op argumenten en derhalve ook niet vatbaar is voor argumenten die het tegendeel aantonen. In die hoedanigheid heeft hij bijzonder goed begrepen wat de strekking is van het bezwaar van Bertrand Russell. Niet geloof is echter een constructie die bij uitstek gebaseerd is op argumenten en wordt derhalve onterecht tussen haakjes vermeld in dezelfde zin.
Voorts valt echter wel op te merken, en daar gaat de auteur volstrekt aan voorbij, dat niet-geloof geen argumenten behoeft! Niet-geloof is immers de uitgangspositie wanneer er geen argumenten zijn om wel te geloven in de waarheid van een claim. Net zoals de onopzettelijke afwezigheid van een voorliefde voor postzegels voldoende is om een niet-postzegelverzamelaar genoemd te worden. Een gebrek aan geloof hoeft niet beargumenteerd te worden en het feit dat de schrijver deze mogelijkheid niet overwogen heeft, geeft al aan dat zijn redeneren reeds gemankeerd is door de waanzinnige veronderstellingen die religie in het algemeen oplegt aan haar volgelingen.
Dat blijkt eens te meer uit zijn vervolg, dat gedeeltelijk juist genoemd mag worden. Natuurlijk is het doorgaans zo dat mensen een voorliefde voor een mening pas achteraf zullen proberen te onderbouwen door middel van argumenten, maar dat laat onverlet dat de kwaliteit van de argumenten louter bij de atheïsten bijdragen aan het volharden van hun mening. Het gebrek aan een bewijs voor welke god dan ook is ondersteunend voor Atheïsten en dodelijk voor gelovigen. Te volharden in het laatste is dan ook gelijk aan het verwerpen van feiten en logica.
In de meer piëtistische of bevindelijke hoeken van het christelijk geloof is dat oud nieuws: ik word geen christen omdat ik overtuigd raak van de waarheid van het christelijk geloof, of de goedheid van de christelijke moraal. Ik word christen, omdat ik door God gegrepen ben. Wat er ook waar is van Russells betoog, ik volg Christus. Geloven is, stelt de existentialistische theologie in het spoor van Kierkegaard, een sprong in het duister. Uiteindelijk is er geen andere reden dan ‘daarom’.
Maar daarnaast, en dat is nu exact de reden dat Russell ageert tegen het christendom, is geloof ook verwerpelijk en schadelijk. De schrijver lijkt dit onbedoeld te bevestigen door bovenstaand citaat, waarin ik het belangwekkende gedeelte dik gedrukt heb. Overweegt u eens de gevolgen van een dergelijk standpunt. “Welk bewijs er ook zal zijn van mijn ongelijk, wat er ook waar is van Russells betoog, het deert mijn mening niet. Ik blijf volharden in het feit dat ik meen dat mijn god bestaat”. Een gemiddelde fundamentalist die niet schroomt de wapens te pakken om zijn geloof te ‘beargumenteren’ zou het niet beter gezegd kunnen hebben.
Ook hier heeft de schrijver zeer wel in de gaten dat dit geen best standpunt is. Net als bij het voorgaande geloofsargument (ja, maar jullie geloven ook!), verdraait hij deze kwalijke stellingname teneinde haar ook in het domein van de atheïsten te kunnen plaatsen.
Dat geldt voor het atheïsme evenzeer. Russell is ook gegrepen, maar door iets anders. [...] Maar als Russell en zijn geestverwanten naar de hemel kijken, zien ze iets anders: een angstaanjagende leegte, sterrennevels die voortrollen van de ene kosmische ramp naar de andere. Tegenover die leegte willen ze eerlijk zijn. Gelovigen lopen weg voor de verschrikkelijke waarheid dat alles zinloos is, vinden ze.
Terwijl hier natuurlijk niets van waar is. Atheïsten zijn niet gegrepen door iets anders. Atheïsten zien geen reden om aan te nemen dat al die godsbeelden ook maar enigszins waar zijn. Dit alles ingegeven door de simpele reden dat er geen bewijs voor bestaat, vermeerderd met het feit dat de kennis die wij wel bezitten deze godsbeelden doorgaans direct tegenspreekt. Meer komt er niet bij kijken. Het resultaat is, en daar verwart de schrijver de zaken, dat de mens niet bijzonder is. Het universum is er niet voor de mens, evenals de aarde en haar flora, fauna en natuurlijke rijkdommen er niet voor de mens is. De mens, zo stelt de atheïst, is in basis niet bijzonder.
Er is dus geen sprake van de door de schrijver veronderstelde ‘angstaanjagende leegte’. Dit is een typische redeneringsfout die je altijd tegenkomt wanneer gelovigen het atheïstische wereldbeeld proberen te toetsen aan hun wereldbeeld: Als je gelooft in god en je probeert je te verplaatsen in een goddeloos wereldbeeld, dan pas is hetgeen je ontwaart angstaanjagend. Voor een atheïst is de afwezigheid van god net zo angstaanjagend als de afwezigheid van koffie of jus d’orange bij een ontbijt.
Toch lijkt de schrijver dit enig moment ook zelf te beseffen, ondanks dat hij ook hier weer de feiten verdraait. Het essay van Russell en alle andere argumenten die ooit naar voren zijn gebracht om de redelijkheid van een goddeloos wereldbeeld te beargumenteren zijn nog nooit naar behoren weerlegd. Het tegendeel is echter aan de orde van de dag: Ieder ‘godsbewijs’ is derhalve dun gebleken dat het tegenwoordig door ieder mens weerlegd kan worden. In dit daglicht is het derhalve niet vreemd dat Atheïsten aangemerkt worden als een stroming die ‘het nadenken’ tot hun monopolie gemaakt hebben.
Atheïsten zoals Russell staan zo ver af van christenen, zijn door zoiets totaal anders gegrepen, dat communicatie vrijwel onmogelijk is geworden. Toch zouden christenen wel degelijk het debat met atheïsten moeten zoeken. Alleen al vanwege de stuitende arrogantie en het idee dat atheïsten het ,,monopolie op nadenken” hebben, zoals schrijver Kluun het vorige week stelde.
Terwijl de waarheid natuurlijk andersom is. Atheïsten bedienen zich bij uitstek van de reden, terwijl gelovigen zonder reden blijven claimen dat hun wereldbeeld evenveel recht op aandacht heeft. Tegelijkertijd probeert men echter tegen alle kennis en redelijkheid in ons wijs te maken dat ongefundeerd redeneren van evenveel waarde is als gefundeerd redeneren en zelfs tot dezelfde soort ware kennis kan leiden!
Het zijn niet de Atheïsten die claimen dat zij de weldenkenden zijn. Het zijn de gelovigen die de Atheïsten verwijten geen waarde te hechten aan meningen die onredelijk, ongefundeerd en simpelweg onnozel zijn. Dit alles in aanwezigheid van bewijs dat ‘geloof’ niet en nooit tot kennis leidt, maar louter tot meer geloof. Dit te betitelen als arrogantie is een grove misrepresentatie van feiten, bijzonder oneerlijk en zelfs een beetje achterbaks.
Temeer wanneer men de eenduidige oproep beziet die de schrijver in dit stuk doet als ware het de christenen die vanuit hun medemenselijkheid het debat moeten zoeken met de Atheïsten. Terwijl de gangbare toon is dat dit al eeuwen gebeurt, maar dan voornamelijk geïnstigeerd vanuit Atheïstische hoek (hoe kan dat ook anders; zij zijn de enigen die redenen willen zien!). De enige reden dat er geen goed debat plaatsvind is omdat de gelovigen menen dat zij de regels telkens moeten aanpassen om ruimte te maken voor hun ongefundeerde en voornamelijk uitgekauwde argumenten: Discussiëren met gelovigen is als kaarten met iemand die onbeperkt jokers mag inzetten.
Een wetenschapper als Cees Dekker mengt zich in het evolutiedebat, en een theoloog als Gijsbert van den Brink zoekt een aanwijzing voor Gods bestaan in het atropisch [sic] principe: de kans op de voorwaarden die leven mogelijk maken in het heelal, zijn zo verwaarloosbaar klein dat toeval vrijwel uitgesloten is. Niet dat het veel atheïsten zal overtuigen, maar op Russells betoog blijkt het een en ander af te dingen.
Want als je anno 2009 nog met het antropische principe komt aanzetten als godsbewijs, dan heb je toch op zijn minst een paar eeuwen niet goed opgelet. Het lijkt me daarom geen toeval dat de schrijver zich onmiddellijk richt op de gevoeligere onderwerpen, en onaangekondigd de focus van het artikel verplaatst van ‘argumenten voor en tegen het bestaan van god’ naar ‘maar het is toch heel vervelend als god niet bestaat?’
Dat is terug te zien in de lauwe houding tegenover milieuproblemen. Mensen leven op deze planeet alsof ze eindgebruikers zijn: na ons de zondvloed, het uitdoven van de zon, het in elkaar klappen van het heelal. Ons raakt het niet. Wij leven ons eigen leven, en dat is al zo kort. ‘Zin’ is voor veel postmoderne mensen alleen nog maar van toepassing op hun eigen individuele leven. Het is geen woord meer dat op wereldniveau iets te zeggen heeft. Hoe zou dat ook kunnen als de wereld vooral noodlot en vijand is, en geen goede schepping die de mens in beheer is gegeven?
En ondanks dat ook dit een uitgekauwd en al lang weerlegd onderdeel is van de geloofsdiscussie heeft de schrijver er geen enkel probleem mee de hiaten in zijn religieus redeneren nog eens duidelijk uiteen te zetten, terwijl hij (ja, echt waar) de milieuproblemen zonder blikken of blozen in de schoenen van de Atheïsten schuift! Dit terwijl het bij uitstek beargumenteerd kan worden dat het de bijbel is (en derhalve zijn god) die stelt dat de aarde het domein is van de mensen en de dieren geschapen zijn om gebruikt te worden!
Voor ieder die denkt dat dit een hypothetisch voorbeeld is heb ik een ontnuchterende voorstelling: Het is in de Verenigde Staten binnen christelijke gemeenten gemeengoed te stellen dat het einde der tijden zich onder andere aankondigt door de teloorgang van ons milieu. En zoals het goede gelovigen betaamt zien zij geen enkele reden om in te grijpen. Als god anders had gewild, dan zou hij het wel voorkomen en daarnaast; Des te eerder het eeuwige leven komt, des te beter! Hetzelfde zien we bij menig Jood die meent dat de vernietiging van de Al aqsa moskee niet snel genoeg kan komen. Het einde der tijden komt namelijk pas wanneer de tempel van Salomon herbouwd kan worden en zoals wij weten staat dat moskeetje dus behoorlijk in de weg.
Waar je derhalve in het christendom een uitdrukkelijke opdracht kunt vinden om te nemen wat je wilt van moeder aarde en andere volken, stelt het Atheïsme impliciet dat het de verantwoordelijkheid van ieder zelf is. Belangrijker nog is om tijdens deze waanzinnige voorstelling van zaken te beseffen dat Atheïsme louter en alleen het gebrek aan geloof beargumenteert en inhoudelijk niets te zeggen heeft over moraal, behalve dat moraal een menselijke vinding is. Zonder de mens is er geen moraal!
En juist deze ontnuchterende waarheid meent de schrijver tegen het Atheïsme te gebruiken. Als je in zijn beleving immers geen regels stelt, dan geef je ieder een vrijbrief om de grootste ellende te rechtvaardigen. Slimmere mensen hebben al opgemerkt dat dit een bijzonder lullig excuus is voor wenselijk gedrag dat de schrijver moraal meent te moeten noemen: Doe je goed omdat het je verteld wordt of doe je goed omdat je meent dat dat fundamenteel de beste keuze is? De schrijver beargumenteert de kinderlijke interpretatie van moraal als in het eerste.
De praktijk leert dat die vrije mens evenzeer op de bank voor de televisie gaat hangen om zich te laven aan programma’s die te stompzinnig zijn voor woorden. Kinderen hangen op straat en wijken worden onleefbaar omdat er geen sociale samenhang meer is. Het zou wel eens ontzettend elitair kunnen zijn om dat bevrijding te noemen.
Was dat allemaal de bedoeling van Russell en de zijnen? Zeker niet. Maar het atheïsme is wel indirect verantwoordelijk te houden. Zijn morele orde en sociale samenhang een argument voor het christelijk geloof? Wellicht. Maar weinig mensen zullen er christen door worden.
Los van het feit of god bestaat, zo schijnt de schrijver te beargumenteren: Geloof zorgt ervoor dat mensen zich gedragen. Want dat is het gevolg. Moraal is niet langer ‘de reden waarop je je handelen baseert’, maar ‘de reden waardoor je straf ontloopt’. En omdat al die Atheïsten geen ‘straffer’ erkennen, maken ze domme televisieprogramma’s waar ze gezamenlijk naar kijken, verwaarlozen ze hun kinderen en zorgen ze ervoor dat de samenleving naar de knoppen gaat.
Christenen zoals hij hebben daar geen enkel aandeel in, zo lijkt hij te ‘beargumenteren’. Maar wij weten gelukkig beter. Want zelfs als dit waar zou zijn, en ik zeg zelfs als, dan nog is het vele malen beter dan de regels die de bijbel ons te bieden heeft en die de schrijver ook wenst te negeren. En zo wordt de kwestie van moraal, haar oorsprong en haar studie ‘de ethiek’ een probleem waar niemand een volledig antwoord op heeft. Wat we wel weten is dat we alleen door argumenteren, debatteren en redeneren voortgang zullen bereiken en aantoonbaar bereikt hebben!
Dat die arrogante en elitaire Atheïsten terecht claimen dat deze voortgang in aanwezigheid van een onwrikbaar setje regels in een overweldigend aanbod van oude ‘heilige’ boeken stilgelegd wordt is een waarheid waarvan de schrijver liever niet heeft dat u de consequenties snapt.