Het elfde gebod: Wantrouw uw voorgangers!
Nov 17th, 2009 by Erik
Ik ben atheïst. En ondanks dat ik volgens een vaak voorkomend religieus argument mijzelf louter daarom niet kan beroepen op het hebben van kennis van goed en kwaad, kon ik mijzelf naar aanleiding van door goedgelovig ontmaskerde leugentje van hippe TRIN evangelist Mattheüs van der Steen niet voorstellen dat ik een leugen zou verzinnen om mijn levensovertuiging nog aannemelijker te maken dan dat ik meen dat zij al is.
Niet dat dit eenvoudig zou zijn, overigens. Hoe kun je ‘met tussenkomst van een derde partij met autoriteit’ een verzonnen bewijs leveren van de juistheid van de veronderstelling dat er hoogstwaarschijnlijk geen god bestaat, als er dientengevolge geen derde partij is die in kan grijpen? Wonderen werken bijzonder slecht als atheïstisch bewijs, zullen we maar zeggen. Al was het maar omdat ze direct in tegenspraak zou zijn met de bewering die ze doet. Een resultaat dat overigens best om te lachen is.
Alle bewijzen die een atheïst kan overleggen zijn per definitie feilbaar en des mens. Dat is de charme en de schoonheid, maar tegelijkertijd is dat het gene waar we in populaire zin achterlopen op gelovigen; Een manifestatie van het veronderstelde goddelijke kan doorgaans als overtuigend argument ingezet worden. Wie heilige boeken gelezen heeft, kan dat alleen maar bevestigen. Datzelfde moet Mattheüs gedacht hebben toen hij een oude waterleiding op de werkbank legde om deze te reduceren tot koperstof, teneinde deze voor goudstof door te laten gaan toen hij claimde dat god het op meerdere gelegenheden en op wonderlijke wijze uit zijn bijbel deed vallen.
Zelfs met mijn ‘ondergeschikte atheïstische moraal’ kan ik me, zoals eerder gezegd, met de slechtste wil ter wereld niet voorstellen dat ik een leugen zou gebruiken om mijn levensbeschouwing over het voetlicht te brengen. Dat terwijl ik het voordeel heb geen enkele derde partij verantwoording af te hoeven leggen, zelfs niet op straffe van een bijzonder naargeestig eeuwig voortbestaan in de hel, of zoals evangelisten zouden stellen: in afwezigheid van god. Met andere woorden: Bang voor straf hoef ik niet te zijn en het feit dat de mogelijkheden mij ontbreken doet niets af aan de onwil die ik heb te liegen om mensen te beïnvloeden over te stappen naar ‘mijn kant’.
De gelovige daarentegen zou zeer op zijn hoede moeten zijn. Zeker wanneer we spreken van evangelische christenen die, ondanks het hoge knuffelgehalte van hun messias, bijzonder moeten vrezen voor een door hun god opgelegde straf na hun heengaan. Het is immers gangbaar binnen het evangelische christendom dat liegen niet bepaald de levensles is die men mag herleiden uit de bijbel. Gij zult niet liegen lijkt me een duidelijk gebod.
Wat, zo vroeg ik mij derhalve af, moet er dan afspelen in het hoofd van Mattheüs? Hij moet op de hoogte zijn van het feit dat het koperstof geenszins door zijn god tot bestaan is geroepen. De enige manier waarop hij hiervan niet op de hoogte zou zijn, is wanneer hij vreselijk in het ooitje genomen wordt door één van zijn naasten, hetgeen ik bijzonder onwaarschijnlijk acht. Mattheüs weet derhalve dat hij een glasharde leugen gebruikt om aandacht te vestigen op zijn claims en ze te voorzien van dat kleine beetje extra ondersteunend bewijs dat alleen gelovigen van slechte wil kunnen forceren.
Het inzicht in de ernst, opzettelijkheid en achterbaksheid van deze manier van handelen komt mijns inziens overigens pas goed tot zijn recht wanneer u zich voorstelt hoe hij achter zijn werkbankje staat te vijlen op een koperen buisje, het stof zorgvuldig opvangend. Hoe hij daarna het koperstof op specifieke plaatsen uitstrooit en een mooie bladzijde opzoekt in zijn bijbel om de laatste restjes te deponeren. Hoe hij vervolgens foto’s laat maken en deze, voorzien van een verhaal over zijn god, stuurt naar mensen waarvan hij meent te weten dat deze oprecht zijn in hun geloof!
Onmiddellijk rijst dan de vraag hoe hij dit tegenover zijn god kan verantwoorden (dat hij er zelf geen probleem mee heeft is namelijk al pijnlijk duidelijk). Behoort hij tot diegenen die een gebod als: “Gij zult niet liegen” interpreteert zoals men ook “Gij zult niet doden” en “Heb uw naaste lief” heeft uitgelegd als waren zij geboden die men moet plaatsen in haar tijd en derhalve alleen van toepassing zouden zijn op de joden? Met andere woorden: Parafraseert Mattheüs zodat het leugentje om bestwil gods goedkeuring wel zou kunnen wegdragen? Gelooft hij in een god die geen probleem heeft met middelen die het doel heiligen?
Of is de waarheid vele malen menselijker? Kan het simpelweg niet zo zijn, zoals wijzere mensen voor mij al eens gesuggereerd hebben, dat alle lieden die actief een geloofsrichting voorgaan dit alleen succesvol kunnen doen wanneer zij zelf absoluut niet geloven wat ze prediken? Met andere woorden: Zijn lieden zoals Mattheüs stiekem niet meer dan bijzonder egocentrische en achterbakse atheïsten?
Misschien is het mijn (atheïstische) naïviteit die hier spreekt, maar ik neig bijzonder naar het laatste. Ik kan me, ondanks het feit dat ik religie verfoei, met de beste wil ter wereld niet voorstellen dat mensen die daadwerkelijk en oprecht geloven dat er een goede god bestaat die wil dat je oprecht en moreel handelt, keiharde leugens gebruiken om zieltjes te winnen voor hun geloof.
De conclusie kan wat mij betreft niet anders zijn dat ongeloof niet alleen veel vaker voorkomt dan oprechte gelovigen mogen verwachten, maar dat ze meer voorzichtigheid zouden moeten betrachten met betrekking tot hun voorgangers dan tot atheïsten zoals ik. Ik treed ieder met open vizier tegemoet. Dat is meer dan je van menig zelfverklaard wonderwerker kunt beweren.
Als geëmancipeerde man protesteer ik tegen “des mens”. Dit is de genitief van “het mens”. Je bedoelt “des mensen”. Als je nou “des Mensch” had geschreven, dan had je Gramps op je hand gehad.
Het zijn waarschijnlijk glitters. En in de goedgelovige omgeving waarin hij zich beweegt kan Mattheus natuurlijk zelf net zo hard misleid zijn — hoewel het mogelijk is dat hij de boel bewust flest, hoeft dat dus niet zo te zijn.
Maar je observaties zijn interessant en belangrijk. Bedankt voor je heldere schrijfstijl.
@1; Wat ik me altijd afvraag is, waarom de vrouwelijke vorm naar het onzijdige wordt geschoven. De mens, zoals in “zie de mens” (ecce homo) is een mannelijk zelfstandig naamwoord. Wanneer je het over een vrouwspersoon hebt, wordt deze vaak “het mens” genoemd. Edoch volgens de Nederlandse grammatica is het lidwoord “het” voorbehouden aan het onzijdige. Kan iemand dit uitleggen?
@3: Vast wel, maar niet hier
” Ik kan me, ondanks het feit dat ik religie verfoei, met de beste wil ter wereld niet voorstellen dat mensen die daadwerkelijk en oprecht geloven dat er een goede god bestaat die wil dat je oprecht en moreel handelt, keiharde leugens gebruiken om zieltjes te winnen voor hun geloof. ” , dit is wel herkenbaar. Na een lange discussie met een iets hoger opgeleide moslim over wat er waarschijnlijker zou zijn:
- dat een engeltje (die zie je tegenwoordig niet zo vaak meer) de wijsheden van god aan slechts één persoon zou openbaren
- dat een slimmerik zou zeggen dat zijn eigen verzonnen regeltjes voor zijn onderdanen hem ingefluisterd waren door een engeltje.
vond hij dat het er eigenlijk niet zoveel toe zou doen: (domme) mensen hebben nu eenmaal leiding nodig, en niet iedereen is slim genoeg om voor zichzelf te bedenken wat goed en fout is. En middels religie zijn mensen het gemakkelijkst in het spoor te houden.
@2:
“hoewel het mogelijk is dat hij de boel bewust flest, hoeft dat dus niet zo te zijn”
Hoe komt dat stof in zijn bijbel als hij het er zelf niet heeft ingedaan?
@4;
Misschien een leuk probleem voor J. Verzamelaar.
Iemand anders? (Hij heeft een hoop ‘gezalfde’ manische types over de vloer.) Hijzelf, in de vaste overtuiging dat het van God afkomstig is omdat hij het van een andere bobo gekregen heeft? Je wilt niet weten hoeveel goedgelovigheid er in deze kringen heerst — het is besmettelijk.
Maar natuurlijk kan hij ook zelf de charlatan zijn. Dat lijkt me echter net iets te simpel.
@8: Het is zijn bijbel. Het gebeurt hem meerdere malen op meerdere locaties in de wereld. Hij maakt meteen foto’s en stuurt mailtjes.
Van alle mogelijkheden die er zijn is het de meest onwaarschijnlijke dat hij NIET opzettelijk de boel flest. Waarom vind jij dat nu juist de meest waarschijnlijke manier? Hoezo, te simpel?
Occam’s Razor maar toepassen hier, lijkt me.
@8: Goud-op-snee?
Erik, wat ik bedoel is dat deze mensen (de volgelingen, maar juist ook Mattheus zelf) door godsdienstwaanzin zo verblind kunnen zijn dat ze kunnen denken dat het goudstof van de Heer komt terwijl het eigenlijk een voorraadje glitters is dat doorgegeven word. Ik sluit dus niet uit dat hij ze zelf in zijn bijbel doet, maar het kan goed zijn dat hij het gekregen heeft van een ander hoger in de hierarchie en dat hij het gebruikt in de volle overtuiging dat het een zegening van God betreft.
Heb het een en ander van hem gelezen. Ik vind hem eigenlijk te dom, te enthousiast, en te goedgelovig om bewust de boel te flessen (waarbij ik met bewust bedoel: zelf naar de feestwinkel gaan en glitters kopen). Dus dat bedoel ik met ‘te simpel’. Je moet weten dat in deze kringen ook andere onzin de ronde doet — flesjes Jordaanwater, gezalfde zakdoekjes — die grif aangegrepen wordt door iedereen. Érgens flest iemand de boel, zoveel is duidelijk. Maar goedgelovigheid is te zeer endemisch in deze kringen om gelijk de goedgelovige strooier aan te wijzen als degene met het plan.
Maar dan nog kan hij niet claimen dat het door god komt dat het uit zijn bijbel komt vallen. Dit is dus bijzonder onwaarschijnlijk en zelfs ietwat onnozel als excuus.
Het zijn overigens geen glitters. Het is onderzocht: Koperstof.
Onnozele excuses is het enige wat deze mensen nog rest. Begrijp me goed, ik ben er van overtuigd dat er bedrog in het spel is.
W/b koperstof/glitters, volg anders even de link in mijn eerste reactie hier. Er is radiologisch vastgesteld dat er onedel koper inzit. Dat betekent niet dat het puur koperstof/kopervijlsel is. Het zijn (volgens de beschrijving van degene die het spul verzameld heeft) platte snippers die allemaal precies dezelfde hexagonale vorm hebben. Dat is niet wat je zou verwachten bij handmatig (of zelfs machinaal) geproduceerd kopervijlsel; het klinkt meer als massaproductie zoals bij glitters het geval is. En glitters kunnen naast copolymeren en een coating ook metalen bevatten.