Atheïsten hebben geen probleem met ‘het kwaad’. (Deel 2 van 2)
Jan 16th, 2010 by Erik
In deel I had ik al vastgesteld dat natuurrampen vreselijke ellende tot gevolg kunnen hebben die wij maar al te graag kwalificeren als ‘kwaadaardig’. Dit laat onverlet dat we tevens weten dat de oorzaken voor het ontstaan van dergelijke situaties geenszins kwaadaardig zijn. De atheïst heeft daarom -met betrekking tot het geven van een verklaring! – geen enkel probleem met de aanwezigheid van dergelijke ellende in de wereld. Hij kent er geen opzet aan toe waarbij de mens of andere levende wezens die in staat zijn pijn te voelen in het doel besloten waren. Natuurrampen zijn amoreel.
De theïst komt echter niet weg met deze verklaring. Indien er een almachtige god bestaat die tevens een god van liefde is, zoals zij claimen, dan omvat ‘het probleem van het kwaad’ ook onpersoonlijke aangelegenheden als natuurrampen. De vraag waarom die god de mogelijkheid tot dergelijk lijden meegenomen heeft in zijn schepping dan wel niet ingrijpt door het verrichten van een wonder – terwijl dat op andere onbetekenender momenten wel geclaimd wordt te gebeuren – is dan plotseling een volstrekt rechtvaardige. Door het poneren van een god zijn natuurrampen een morele aangelegenheid geworden.
Het antwoord, zo wist Epicurus al, is dat deze god niet bestaat. Ofwel god is kwaadaardig, ofwel hij is goedaardig maar niet bij machte het te voorkomen, ofwel hij bestaat helemaal niet. Hoe dan ook; de liefdevolle almachtige god van de theïst is een illusie. Waarbij ik eerlijkheidshalve wil vermelden dat dit geenszins aantoont dat ‘god niet bestaat’. Het toont louter aan dat het geloof van 90% van de ons bekende christenen gebaseerd is op een onoplosbare tegenspraak die onherroepelijk aantoont dat hun versie van god niet bestaat.
Eigenlijk is daar de vraag naar de eerste categorie kwaadaardigheden al een flink eind mee beantwoord, maar er valt meer over te zeggen. Het kwaad in de eerste categorie, waarbij het kwaad ten uitvoer gebracht wordt door de mens zelf, vereist namelijk meer aandacht dan alleen te constateren dat dit nu eenmaal plaatsvindt. Zodra er namelijk een intelligentie bij betrokken is, in de vorm van de mens of god zelve, dan is de vraag ‘waarom’ niet alleen volstrekt gerechtvaardigd zoals dan ook bij ‘het kwaad’ van de tweede categorie, maar ontkomen we er niet aan ook een moreel oordeel te moeten vellen. Of iets kwaadaardig is, zit namelijk besloten in de motivatie van de daad.
Mensen zijn in staat de consequenties van hun daden te overdenken en zelfs redelijkerwijs in te schatten. Als zodanig houden we ze verantwoordelijk voor het resultaat van hun handelen of zelfs het besluit niet in te grijpen. Zoals een atheïst het idee van een almachtige en liefhebbende god verantwoordelijk stelt voor het lijden van de slachtoffers van een aardbeving die hij met gemak had kunnen voorkomen, zo houden mensen elkaar verantwoordelijk voor de resultaten van hun handelen.
De regels volgens welke wij schuld toewijzen aangaande het kwaad, noemen we moraal. Moraal is de verzamelnaam van gedragingen die wij als wenselijk beschouwen. Moraal bestaat uit handelingen die we graag zien, maar ook uit handelingen die we absoluut noodzakelijk achten. Het zal niemand verbazen dat ook hier de theïst en de atheïst hevig met elkaar overhoop liggen aangaande de herkomst van deze ‘kennis’.
Hoe komt een atheïst aan zijn moraal, vraagt de theïst zich dikwijls af. Als de atheïst geen god erkent, dan is er geen ultieme wetgever. Als deze wetgever er niet is, zo redeneert men verder, dan is het klaarblijkelijk aan de mens zelf om te beslissen wat goed en slecht is en heeft zowel het woord goed als het woord kwaad volledig aan betekenis verloren. Wat de één kwaad vindt, kan de ander goed vinden. Goed en kwaad, zo concludeert de theïst, zijn concepten die universeel zijn in de zin dat ze overal in het universum hetzelfde moeten zijn, maar daarnaast om die reden ook gedicteerd moeten zijn. En wie anders dan god dicteert deze moraal?
Los van de gebruikelijke bezwaren tegen deze manier van redeneren, is er binnen deze specifieke context van ‘het probleem van het kwaad’ een belangrijke constatering te doen. Daarvoor moeten we ons realiseren dat de vraagstelling van het probleem van het kwaad de volgende is: “Waarom bestaat er kwaad?”. De theïst zal in het verlengde van zijn hypothese van de goddelijke wetgever moeten beweren dat dit komt omdat de mens kiest zich niet aan de wetten van god te houden.
Met deze manier van denken pleegt de theïst een klassieke cirkelredenering: Wat god zegt dat goed of kwaad is, is goed of kwaad omdat god zegt dat het goed of kwaad is. Daarnaast verzuimt de theïst om antwoord te geven op de vraag. De vraag is niet wat goed is en wat niet, maar waarom iets goed is en waarom iets niet goed is. Het feit dat iets goed is omdat het gedicteerd is door een wetgever is gelijk het ontwijken van antwoord geven op de prangende vraag waarop de theïst in eerste instantie meende als enige het antwoord te kennen.
De realiteit is derhalve dat niet alleen de atheïst zich moet bezig houden met het beredeneren van goed en kwaad, maar ook de theïst. Dat dit het geval is blijkt duidelijk uit het feit dat de theïst meent sommige geboden van zijn god strikt na te moeten leven, maar andere geboden te interpreteren naar de geest van de tijd. Alleen de daad van de interpretatie van een goddelijke wet geeft al aan dat er een andere bron van moraal is dan die wet zelf. Een bron die ons allen tot onze beschikking staat. Atheïst, theïst, deïst of ietsist.
Daarmee komen we op de inhoudelijkheid uit van moraal: De ethiek. De studie van argumenten die ons brengen tot het accepteren van een moreel standpunt. Waarom vinden we nu eigenlijk dat doodslaan ‘een zonde’ is? Waarom menen we dat het ongevraagd toe-eigenen van andermans bezit een immorele daad is? De theïst kan u net zo min het ultieme antwoord geven als de atheïst. Beiden bevinden ze zich, zoals eerder uitgelegd, in hetzelfde schuitje – niet opmerkelijk gezien het feit dat ze beiden ‘brave apen’ zijn. Het verschil is dat de ene dat weet en de ander het ontkent – op twee belangrijke verschillen na.
Ten eerste is de atheïst in staat te erkennen dat moraal deels het resultaat is van ethiek en voor een ander deel voortkomt uit onze evolutionaire geschiedenis. De atheïst heeft geen enkele moeite om een veronderstelde wetgever te passeren als hij meent dat zijn moraal beter te verdedigen is. Dit is onder andere de reden dat de atheïst zonder problemen de vinger op de gevoelige plek kan leggen als het gaat om het kwaad uit de tweede categorie. Je moet in staat zijn om los van god te denken over moraal om te kunnen constateren dat als god bestaat hij een immorele entiteit is als hij almachtig en liefdevol is terwijl hij mensen laat sterven door natuurrampen.
Maar het belangrijkste verschil blijkt niet uit de bron van onze gezamenlijke morele neigingen, maar uit de consequenties die daaraan verbonden worden. Atheïst of theïst, beiden zijn het eens dat een immorele daad navenant gestraft moet worden – tenzij god de straffer is, dan is elke vorm van gebrek aan samenhang tussen misdaad en straf volgens de theïst gerechtvaardigd. En het is die straf die ons het uiteindelijke antwoord geeft op het grote verschil tussen goed en kwaad in de beleving van de atheïst en de theïst.
Atheïsten poneren geen god en geen ultieme wetgever. Maar daarnaast poneren ze gevoegelijk ook geen ultieme rechter. In tegenstelling tot de theïst heeft de atheïst geen verklarend probleem bij het accepteren van het feit dat een mens een heel leven kan besteden aan het verrichten van immorele daden en ongestraft kan sterven. De theïst daarentegen stelt dat de wet van god juist na de dood opgelegd zal worden. Hier op aarde is er namelijk geen maat aan de hoeveelheid wandaden, dat is evident voor ieder die het nieuws volgt.
Deze aangeboren drang tot het vereffenen van de rekening speelt de theïst parten. Het kan niet zo zijn, redeneert hij, dat iemand ongestraft kan sterven om te eindigen waar al die mensen eindigen die hun leven wel zo moreel mogelijk hebben ingericht. Het probleem van het kwaad moet opgelost worden door een ultieme rechter die tegelijkertijd de ultieme wetgever en beul is.
Noch de atheïst, noch de theïst kan een definitief antwoord formuleren op wat goed is en wat kwaad is. De theïst is echter de enige die niet kan accepteren dat moraal dusdanig niet-universeel is dat mensen door te sterven kunnen ontkomen aan hun straf. Het leven is daardoor, ondanks alle pogingen die wij doen, inherent immoreel. Niet omdat het louter kwaadaardig is of omdat er kwaadaardige krachten een rol spelen, maar omdat het leven amoreel is. Gelijk de aardbeving, de vloedgolf en de inslag van een meteoriet.
In de tijd die wij hebben tussen dergelijk onpersoonlijk geweld en drama, proberen wij de illusie hoog te houden dat er ergens een absolute moraal te ontdekken valt die – niet toevallig – overeenkomt met ons idee van een perfecte wereld zonder geweld, moord, doodslag, berovingen en andere daden die ontstaan door menselijke motivaties waarbij de consequenties alleen uitgedacht worden in de ik-vorm, of waarbij het persoonlijk voordeel prevaleert boven alle andere motivaties die een mens kan bedenken.
De atheïst erkent deze werkelijkheid terwijl hij wenste dat het anders kon zijn en beseft dat hij alleen door ethisch besef zijn moraal kan verbeteren. De theïst heeft er een wereld aan onbewezen aannames bij nodig om het sprookje van universele rechtvaardigheid en een ultieme moraal te kunnen bewaren.
En terwijl de theïst claimt de bezitter te zijn van die niet-bestaande ultieme moraal bij gratie van een niet-bestaande ultieme wetgever, begaat hij in zijn blindheid voor de wet van zijn god de meest immorele daden. Daden die een mens zonder geloof onmogelijk had kunnen bedenken.
Het liet mij niet meer los. http://berendquest.blogspot.com/2010/01/haiti-pat-robertson-satan-en-het-kwaad.html
volgens sommigen van de PVDA binnen de 2e kamer zijn wij mensen schuldig aan Haiti :http://www.geenstijl.nl/archives/images/chantalbliepbliep.html en http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2010/01/pvda_gaat_aardbevingen_keihard.html
@2
Dan mag de PvdA mij uitleggen hoe het komt dat deze rampen wel plaatsvinden in Haïti en niet in de Dominicaanse Republiek. Ik denk niet dat wij, maar zij schuldig zijn… In ieder geval aan de gevolgen van de aardbeving.
http://www.nd.nl/artikelen/2010/januari/18/weer-toont-het-kwaad-z-n-ware-gezicht
“Aantoonbaar is wel dat Haïti al sinds het ontstaan geteisterd wordt door geweld, onvoorstelbare armoede, corruptie, nepotisme en een structureel falend bestuur. Tel daarbij op de vele natuurrampen die het land hebben getroffen en je ontkomt er bijna niet aan om ook Haïti aan te merken als een van de plekken op aarde waar het kwaad zijn masker heeft afgezet en de handschoenen heeft uitgetrokken om zijn ware aard te tonen. Een diepverdorven aard, uit op de totale vernietiging van de kroon van de schepping, de mens. De Bijbel leert dat er vorsten van de duisternis bestaan die een claim op bepaalde gebieden kunnen leggen.”
Als je het ene gelooft, waarom dan de andere magische verklaring dan niet, right? Het zijn gewoon kwade, duistere machten, duidelijk.
@4:
Ga jij je eens diep schamen en denk daarna een diep na.
Zijn wij hier slachtoffer van het goed ? Gaat het hier verdomde goed omdat iemand die niet bestaat dat wil, of dat het goede dat ons toewenst ?
Doe niet zo simpel en stompzinnig, wij hebben gewoon het toeval dat we hier wonen.
Als jij ergens anders woonde, had je ook zeer waarschijnlijk een ander geloof opgelegd gekregen.
Chantal Gill’ard: de Yvette Lont van de PvdA.